DE PADEN AF, DE WIJKEN IN!

Ieder landschap heeft zo zijn eigen kenmerken, bij ons in de buurt is die uitstraling door turfgraven ontstaan. Afgegraven turf krijg je door veen af te graven en te drogen, wat makkelijker gaat wanneer er veel veen ligt en/of hoog ligt. Ofwel hoogveen. En zo kwam Hoogeveen aan zijn naam.

Nu is er in Hoogeveen zelf door bebouwing weinig meer van die kenmerken te ontdekken maar iets ten zuidoosten van Hoogeveen, vooral rondom Elim, komt dat turfgraven wel duidelijk naar voren. Maar daarvoor moet je wel iets weten van de geschiedenis.

Het turfgraven is al eeuwenoud maar wie denkt dat het ook al eeuwen uitgestorven is, heeft het mis. Tot ongeveer halverwege de vorige eeuw was turf belangrijk als brandstof, pas daarna is het door olie en gas verdrongen. Zelfs tot 1980 werd ten oosten van Emmen nog turf gewonnen. Op deze plek wel leuk om te vermelden: Etienne Lenoir vroeg in 1860 patent aan op een motor die op turfgas liep, al was dat geen succes.

Het steken van de turf gebeurde handmatig. Aldus werden kanaaltjes gevormd, oftewel wijken die dienden voor de afwatering en vervoer van de afgegraven turf. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw zijn die wijken (bijna) allemaal weer gedempt. Maar de toevoeging “wijk” aan een straat komt veelvuldig voor: Langewijk, Jeulenwijk, Meester Pieterswijk.

Op en bij dat land woonden de veenarbeiders. Ook nu nog is er een (vermeend) verschil tussen de karakters van de mensen die op het veen wonen (de arbeiders) en de mensen die op het zand wonen (Vroeger: hereboeren en notabelen). Het gezegde was: op ’t veen werd het pleit beslecht met “de schöppe” en op ’t zand met de mond. Ofwel: veenarbeiders sloegen erop (met de schop of met de vuisten), op het zand werd het uitgepraat. Nu dacht ik dat het een plaatselijk verschijnsel was, maar als ik er naar zoek kom ik zowaar een Haags voorbeeld tegen: Op het zand bestelt men een kopje koffie met een koekje en een chocolaatje. Op het veen vraagt men om een bakkie pleur met een broodje tartaar met ei en ui. (‘broodjûh è mè ù’)

In ieder geval, de wijken, door het dempen dus de straten, lagen en liggen dicht bij elkaar, op nog geen honderd meter afstand. Veel te dicht om ze, op het platteland, allemaal als openbare weg te onderhouden. En daardoor is een stratenplan ontstaan dat er als een merkwaardige gatenkaas uitziet. Zo bestaat de Langewijk uit 5 stukken weg, in elkaars verlengde, in meer en minder begaanbare staat, verspreid over een lengte van vier tot vijf kilometer. Dan hebben bewoners van de Jan Slotswijk nog geluk, die is “slechts” opgedeeld in 4 stukken. Aan de andere kant, voor sommige bewoners aan de Carstenswijk kan het helemaal rampzalig zijn: die wonen soms niet eens aan die weg, hun oprit, 50 meter lang, komt uit de Perebomenweg. Hallo navigatie, bent u daar nog?

Zo moest ik eens bij een klant aan de Jan Slotswijk zijn. De navigatie leidde mij keurig over de Warmondsweg. Na 200 meter moest ik linksaf. Peinzend bekeek ik waar mijn navigatie mij langs wilde sturen. Kòn dat wel? Tja, als de navigatie het zei… Om een lang verhaal iets korter te maken, het kon dus niet. Het was er erg modderig, halverwege kwam ik vast te zitten. Daar stond ik dan, met mijn nette pak. De rest heb ik maar gelopen, de klant waar ik naar toe ging had gelukkig de beschikking over een trekker, zodat ik geen bergingsbedrijf hoefde te bellen. Overigens had hij die trekker niet om dagelijks bij zijn huis te komen: ik had gewoon een eindje door moeten rijden, dan kwam ik er van de andere kant via de Compagnieweg in. Ook als weg, maar wel verhard. Het grappige is, ook nu ik met Google Maps probeer de juiste route te kiezen, lukt mij dat niet eens!

Geef een reactie

Ik ben Johannes

Welkom op mijn persoonlijke blog. Bedoeld als betere plek voor Autoweek-blogs heeft deze plek zich ontwikkelt tot een persoonlijke uitlaatklep.

Waar kan je mij nog meer vinden

Ontdek meer van Johannes Prakken

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder